Een schoteltje van de rommelmarkt

Zaterdag. Wanneer we tegen het eind van de middag Maartensdijk binnen lopen, wordt daar net een rommelmarkt opgebroken. Het is op een pleintje bij een buurtgebouw of school. Mij ontgaat dat. Ik wordt afgeleid door het delicate geluid van brekend glas. Het komt van bij de eerste kraam aan linkerzijde. De planken kreunen onder stapels serviesgoed uit diverse perioden. Er loopt een grote, verveelde man bij. Zonder blikken of blozen gooit hij achteloos handen vol van het spul in een blauwe container. Die is kennelijk met voorbedachten rade bij de servieskraam opgesteld.

Met elke worp hoor je drinkglazen en borden en schalen en koppen en schotels breken. Het heeft wel wat, dat geluid. Vooral voor wie tweedehands aardewerk toch maar als ouwe zooi beschouwt. Snel scan ik de opgetaste waar en zie dan een glazen schoteltje met handgeschilderd bloemmotief. De stijl herken ik. Mijn moeder heeft een groter exemplaar in gebruik als fruitschaal. Waarschijnlijk was dat een van haar vondsten op een andere rommelmarkt elders in het land. Al kan haar schaal evengoed een familiestuk zijn. Dat zal ik navragen, want verder heb ik nergens zoiets gezien.

De markt is gesloten.’, bast de man wanneer ik het schoteltje pak. Ik vraag hem of ik het mag redden van de ondergang. De man is alles behalve enthousiast. Waarschijnlijk heeft hij een lange dag achter de rug. Vroeg opgestaan, gevolgd door gezeul met al die rotzooi. Dan het opbouwen van de kraam. En daarna de godganse dag mensen voor je neus die zeuren of het ook voor minder weg kan. Terwijl alles al bijna gratis is en de opbrengst voor een goed doel bestemd is. Ik weet ervan.

’50 cent’, is zijn antwoord. Wanneer ik een euro geef, bromt hij dat hij geen wisselgeld heeft. Het zal wel, laat die 50 cent maar zitten. Mijn wandel-genoten spreken daar schande van. Maar ik heb het schoteltje gered van de ondergang.

Eigenlijk is het nogal een oude dametjes ding. Normaal gesproken zou ik het nooit kopen. Soms ben ik echt bang dat ik toch op mijn moeder lijk.

Zondag. Omroep Gelderland houdt een sessie Schatgraven bij Musis in Arnhem. Net als bij Kunst en Kitsch kan je daar spullen laten taxeren. Twintig jaar geleden kreeg ik als afscheidscadeau een oud parfumflesje uit China. Mijn werkgever bracht het mee van zijn zakenreis naar Hong Kong of Singapore. ‘Het is echt oud, volgens de verkoper.’, vertelde hij na een bezoek aan een winkel vol snuisterijen. Ik weet het niet. Zulke mannen laten zich in dergelijke situaties van alles in handen duwen. Voor mijn werkgever in de offshore-industrie waren antieke damesflesjes geen bekend terrein.

Dus wil ik eindelijk weten of het flesje antiek is. Ook neem ik een foto van het schoteltje mee. Het kan gewoon een toeristen ding zijn, uit de jaren vijftig of zo. Wellicht gemaakt in Duitsland of de Balkan, of in Portugal. Op internet is het onvindbaar, welk trefwoord ik ook intyp.

Nu weet ik hoe het zit met dat Chinese flesje. Maar het glazen schoteltje herkende de taxateur niet. Het leven zit vol raadsels.

Zwart geld

Binnenkort heb ik een familiereünie. Dat is erg leuk. Er komen allemaal mensen die ik goed ken. En er komen mensen die ik normaal gesproken straal voorbij zou lopen. Gewoon, omdat ik geen idee heb wie het zijn. Hoe dan ook, ik verheug mij op de ontmoeting. Alleen is er een klein probleem en dat is die ene vraag. Een vraag die mij al honderdduizend keer is gesteld. Een vraag die ik, afhankelijk van de toestand der zaken, meestal háát.

Het is een heel onschuldige vraag, hoor. Namelijk: ‘Wat doe jij eigenlijk?’ En dan bedoelen ze: voor de kost. Nou, momenteel niet zo veel. Maar dat kan ik natuurlijk niet zeggen. Of in elk geval: niet tegen iedereen. Sommigen weten af van mijn ‘toestand’. Dat zijn de intimi die er (vermoedelijk, hopelijk) begrip voor hebben. Daarnaast zijn er mensen van wie het mij weinig kan schelen wat ze denken. Maar nu gaat het om de diffuse groep er tussenin.

Uiteraard heb ik geoefend op antwoorden. Ze veranderen continu, afhankelijk van de actuele situatie, de vraagsteller en mijn humeur. Meestal heb ik mijn antwoord dus klaar. Sterker, ik kan kiezen uit een heel repertoire. Deze keer is er een complicerende factor. Want familie, daar is niets vrijblijvends aan. Voordat je het weet, gaan er verhalen rond waar je niet meer van af komt.

Dus wat moet ik nou? Het beste is een antwoord dat dicht bij de waarheid blijft. Daarmee loop ik weinig risico dat ik door een verspreking de mist in ga. En dat antwoord moet ik goed afstemmen op die onbekende neven van mij.

Ik moet zeggen, als de nood het hoogst is, is de redding echt nabij. Want vandaag er kwam een berichtje binnen van het organiserende comité. Dat zit in Brabant. U weet wel, the narco state of the Netherlands. En wat staat er in dat bericht? Jazeker, iets over zwart geld.

Nou, ik ben er uit hoor. Als ze mij vragen wat ik doe, dan zeg ik: ‘Iets met zwart geld. En dat ik verder geen details geef, dat begrijp je zeker wel.’ Blink, blink. Goed he?

Etymologie peekaboo – kiekeboe


Soms weet ik het echt beter dan degenen die ervoor hebben doorgeleerd. Neem nu het Nederlandse ‘kiekeboe’ en het Engelse ‘peekaboo’. Je kent het wel. Dat spelletje, waarbij je plotseling je gezicht toont of ergens achter tevoorschijn komt en ‘boe’ roept. Kleine kinderen zijn er dol op. Op etymonline.com staat bij peekaboo: ‘as a children’s game attested from 1590s; as an adjective meaning ‘see-through, open,’ it dates from 1895. From peek + boo.’ Attested from 1590s! Kijk, dan heb je mij.

Al jaren geleden stelden taalkundigen zich de vraag of er verwantschap was. Niet alleen de klanken komen overeen. Ook de woorden ‘kiek’ en ‘peek’ hebben een vergelijkbare betekenis. En ‘boe’ in het Nederlands komt overeen met ‘boo’ in het Engels. De Leidse wetenschappelijke uitgeverij Brill wijdde er in gewichtige taal een hoofdstukje aan. (Zie deze tekst uit 1942 in het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde op pagina 215-216 ‘Over eenige werkwoorden die ‘kijken’ beteekenen’.)

Ik geloof het wel. Maar er wordt met geen woord gerept over die ontstaansperiode: de jaren ’90 van de zestiende eeuw. Nu wil het geval dat ik mijn familiegeschiedenis ken. En toevallig heb ik een paar voorouders uit Engeland. Tenminste, daar zijn ze op de boot gestapt toen ze naar Holland kwamen. Maar voordat ze in Engeland woonden, kwamen ze uit Vlaanderen. Dat was zo ongeveer tussen 1565 en 1580. En daar spreken ze een soort Nederlands. Kortom, vul de rest maar in.

Ik durf te wedden dat de exacte oorsprong van ‘peekaboo’ in Colchester ligt. En anders wel in Norwich of Hastings.
Afijn, dit allemaal vanwege bovenstaande foto, die ik vanmorgen nam. Dat komt er nou van.

Van Elvis naar Siouxsie dankzij onze Tom

Op Radio Gelderland komt ‘ie regelmatig voorbij: A little less conversation van Elvis Presley uit 1968. Het is zo’n plaat met een heerlijk ritme, volle klanken, grappige geluidjes en de uit duizenden herkenbare stem van Elvis himself. Helaas voor de diehard fans betreft dit niet de originele versie. Die klinkt wat minder krachtig dan de versie van Junkie XL. Die van Junkie XL is monumentaal. Daarmee bedoel ik een plaat die staat voor een heel tijdperk. Fenomenaal.

YouTube, Vevo en Wikipedia zijn goudmijnen voor video’s, informatie en onverwachte links. Wist ik veel dat Nederlander Tom Holkenborg, (jawel, afkomstig uit de Achterhoek), eeuwigheidswaarde aan Elvis’ A little less conversation heeft toegevoegd. Want zijn versie is bij jongeren wereldberoemd op YouTube.

Via Elvis kom ik op de versie van Junkie XL en zo beland ik op zijn pagina op Wikipedia, waar staat dat ‘onze’ Tom heeft meegewerkt aan Mad Max: Fury Road. (Over tijdloze iconen gesproken. Ik moet nog steeds van Mad Max II bijkomen.) Én dat hij heeft samengewerkt met iemand die weer iets heeft gedaan met iemand anders, die haar stem verleende aan een cover van Cities in Dust van Siouxsie and the Banshees uit 1986. Volgt u het nog? Nou ja, hoeft ook niet.

Wat een heerlijk associatieve tijdreis. En dit allemaal dankzij Radio Gelderland. Zet hem op maximaal volume, want hier is ‘ie dan: the one and only! uit 2002.

Kraakwagendag en de schatkist van de Fasson

‘Grofvuil is fantastisch: dat je iets ouds hebt, het wegdoet, en dat een ander dat dan misschien blij meeneemt. Het oude principe van dingen je hol inslepen. Of het nieuwe principe van upcycling. Of het oeroude principe  van lekker gratis.’ Aaf Brandt Corstius haalt in haar Volkskrant column van 22 juni 2018 zoete herinneringen op. Tegenwoordig moet je een afspraak maken met het gemeentelijke afvalstation. Op vastgestelde tijden dien je je oude spullen buiten te zetten en dan komen ze het ophalen. De romantiek is er wel af. Van mij mag het gouden era terugkeren van kraakwagendag.

Op kraakwagendag struinde ik als kind met een vriendinnetje in de buurt alle straten af. Er stond dan van alles op de stoep. Kapotte koelkasten, bankstellen, sapcentrifuges, bijzettafeltjes, zakken met oude kleding, bakken met boeken en gesloopte troep. We waren bepaald niet de enigen.

De professionals, zoals ze nu zouden heten, waren dan al langs geweest. Allerlei ruwe, groezelige mannen met gemotoriseerde bakfietsen haalden bruikbare spullen op. De oud-ijzerboeren. De tweedehands spullen handelaren. Hen zag je vervolgens staan op de Leidse markt. Daar hadden ze op woensdagen voor hun uitgestalde waren een vaste plek op de Koornbeursbrug.

Waarschijnlijk was er een ongeschreven regel. Nette mensen deden zoiets niet. Voor kinderen kon het nog net, tot een zekere leeftijd.

Dat vriendinnetje was meer bijdehand dan ik. Ze kende namelijk de exacte locatie van een ware schatkist: een enorme afvalcontainer op een nabijgelegen fabrieksterrein. Om precies te zijn: van de Fasson op de Lammenschans. Een goudmijn was dat. We konden er alleen met moeite in klauteren. Soms werden we weggejaagd door het personeel. Misschien was het wel gevaarlijk als er afval in werd gekieperd. We stonden er tot onder de zijwand in en waren van buitenaf niet te zien.

Er lagen alle mogelijke soorten plakband. Industrieel spul, onverwoestbaar. Grote rollen, kleine rollen, loeizware buizen met prachtige materialen. Sommige met rasters van textiel die aan twee zijden kleefden. Daarmee kon je een boekenplankje aan de muur bevestigen, zo’n plakkracht had dat spul. Het rook er dan ook erg chemisch.

We namen zo veel mee als we op onze fietsjes naar huis konden slepen. Ik zal een jaar of acht zijn geweest. Ik heb nog tot vijf jaar geleden plezier gehad van die kleefmaterialen. Zo lang bleven ze goed en ging de voorraad mee. Kleine stukjes hout plakken, een foto goed op een achtergrond vastzetten, etc. Vooral dat dubbelzijdige spul; daar kon je echt alles mee. Ik heb het helaas nooit in een winkel gezien.

Later ging de fabriek Fasson Avery Dennison heten en daarna alleen Avery Dennison. Het bedrijf verhuisde naar Hazerswoude. Ik heb er zelf op kantoor gewerkt, als uitzendkracht. In die periode moest ik een kast met oude ordners leegruimen. Alles kon weg. Ook de in prima staat verkerende, maar gebruikte kantoormaterialen: ordners, plastic insteekmapjes, paperclips, geperforeerde hoesjes en tabbladen.

Ik heb er van alles tussenuit gehaald. Gered van de vuilverbranding. Dat was in 1997. Die kleine kantoorartikelen gebruik ik nog steeds. Ze gaan langer mee dan de fabrieksgebouwen, want begin dit jaar werd de laatste gesloopt.

Kijken naar een Nederlandse film

Met Nederlandse films heb ik moeite. Films moeten mij namelijk naar een andere wereld voeren en iets magisch uitstralen. In praktijk beland je dan al gauw over de grens. Speelt het verhaal zich af in een ver oord, dan kan je mij om de tuin leiden. Maar Nederlandse films toets ik te makkelijk aan de realiteit.

Nederlandse films hebben meestal iets weg van een bonte verkleedpartij. Vooral voor komische films rukken ze graag een anachronistische garderobe uit de kast. Vaak zie je de oranje/bruine seventies terug, in combinatie met gebruik van mobiele telefoons.

En dan de locaties. Is het verhaal gesitueerd in Amsterdam, dan zit er een meisje in de klas dat op een boerderij woont. Tuurlijk. Even komt een wagen van de hoofdstedelijke gemeentereiniging in beeld. Ja hoor, echt Amsterdam. Waarna je rokende schoorstenen ziet, die alleen zo in IJmuiden staan. Populair zijn ook shots van het geijkte verlaten industrieterrein. Hier proef ik een vlaag van rauwe nostalgie en een heimelijke hunkering naar verrommeling. Voor dergelijke beelden moet je in Oost-Europa zijn.

Verder vormen dialogen een groot afbreukrisico. De uitspraak alleen al. In films zeggen ze vaak dingen die ik nou nooit zou zeggen. Al kan dat aan mij liggen. En ze kijken er ook anders bij. Sterker, ze bewegen zelfs anders dan de meesten van ons doen.

Kortom, Nederlandse films weten mij zelden in vervoering te brengen. Gewoon omdat ik er te veel of te weinig in herken. Maar vanmiddag was De sterkste man van Nederland op tv; een jeugdfilm uit 2011, die ik ondanks weeffoutjes toch erg leuk vond.

Het beste gezelschap op het terras

Een dag langs Bossche terrasjes heeft voor helderheid gezorgd. Dat zit zo. Ik hou van terrasjes. Het is altijd leuk om met iemand naar de stad/het bos/het strand/de film of wat dan ook te gaan. Daar verwacht ik dan een terrasje bij. (Als het koud is mag het ook binnen zijn.) Het dilemma zit ‘m in mijn huidige vriendenkring. Die bestaat uit twee soorten mensen. 1. Zij die van de calvinistische soort zijn; en 2. de Bourgondiërs.

De calvinisten zien koffiepauzes als noodzakelijk kwaad. Iets wat op zijn best puur functioneel moet zijn. Dus als we ergens komen, roepen zij alvast ‘Bestel voor mij maar cappuccino (ochtend)/rooibosthee (middag)’, terwijl ze naar het toilet rennen (dan hebben ze dat alvast gehad). En zodra de bestelling wordt gebracht, trekken ze meteen hun portemonnee om af te rekenen, hoewel de ober het bonnetje nog moet brengen.

Tussendoor kieperen ze het gloeiend hete vocht naar binnen, terwijl ze kijken op de kaart hoe de route verder gaat en daarna beginnen ze hun tas alvast weer op orde te maken voor de volgende etappe. Onderwijl met groeiend ongeduld en onverholen frustratie kijkend naar mij. Want ik moet dan nog aan mijn drankje beginnen. Laat staan dat ik al naar het toilet ben geweest.

In het allerergste geval heb ik honger. Dat komt best vaak voor. Tot hun afgrijzen bestel ik er dan een gebakje bij, of een saucijzenbroodje. En ik eet langzaam, hè. Heel langzaam. Ik krijg het namelijk niet snel weg en ik laat het mij goed smaken. Als ze slim zijn, stellen ze me dan geen vragen. Wanneer ik moet praten, eet ik namelijk nog trager.

Het zal duidelijk zijn, ik heb een gróte voorliefde voor Bourgondiërs. De levens-genieters. Degenen die het breed laten hangen als dat ook maar even kan. Zij die van zo’n dag een feestje maken. Alsof het de laatste is. En zo niet, dan hebben ze toch alvast maar weer genoten. Tijdens uitstapjes in elk geval. Juist omdat ze heel goed beseffen dat het niet elke dag feest kan zijn.

Voortaan ga ik na kennismaking met een potentieel nieuwe vriend of vriendin eerst de terrasjestest doen. Is het geen terrasjestype, dan is het meteen einde verhaal. Het leven is te kort om mijn tijd met zulke mensen te verdoen. Overigens staat mijn record op een afspraak in de Foreign Correspondent Club in Phnom Penh. Die begon om 10.00 uur en we vertrokken negen uur later.

Ook met vriendin M. zit het goed. De combinatie van een uur wandelen plus drie uur op drie verschillende terrasjes, is perfect. Nu alleen nog even die Bossche Bol verwerken. 😉