Een vraagje over de vakantie

Onderweg in Australië, dertig jaar geleden. Ik correspondeer regelmatig met vrienden en familie. Hun brieven worden poste restante bezorgd in plaatsen waar ik kom. In Nederland is het voorjaar. Daarom vraag ik aan X of zij en haar man dat jaar op vakantie gaan.

Doorgaans wil zij graag op pad, hij wat minder. Ze schrijft terug, maar geeft geen antwoord op die vraag. Kort daarna schrijf ik weer en informeer nogmaals naar hun plannen. Ze gaan ieder jaar minimaal een week op pad. Maar in de volgende brief ontbreekt wederom een antwoord.

Het is mij een raadsel waarom ze er niets over rept. Als ze thuis blijven, kan ze dat toch melden? Mij maakt het weinig uit wat ze doen. Maar juist omdat ze over de vakantie zwijgt, blijf ik er nieuwsgierig naar vragen.

Inmiddels is het hartje zomer. Nog heb ik niets over hun plan vernomen. Dan laat ik het er bij. Het is tenslotte een vraagstuk van niets. Toch, omdat het nooit werd opgehelderd, is deze situatie mij altijd blijven verwonderen.

Onlangs las ik die oude brieven opnieuw en toen viel eindelijk het kwartje. Want X liet mijn brieven ook door haar man lezen. Zo werd hij steeds geconfronteerd met haar eigen vraag, zonder dat ze over haar vakantiewens hoefde te beginnen.