Leidse arbeidsvoorwaarden in 1890

In 1890 houdt een Staatscommissie onder werknemers in Leiden een enquête over hun arbeids- en leefomstandigheden. De Leidse bevolking bestaat dan uit een grote arbeidersklasse naast de kleinere middenstand en hogere klassen. De inkomensongelijkheid is enorm. Veruit de meeste arbeiders produceren wollen stoffen in textielfabrieken. Ik heb het officiële verslag en alle uitgewerkte interviews gelezen. Daarin staan interessante details uit het dagelijkse leven van voorouders.

ZaalbergDe Staatscommissie doet onderzoek ‘omtrent de verhoudingen tusschen werkgevers en arbeiders in de verschillende fabrieken en omtrent den toestand van fabrieken en werk- plaatsen met het oog op de veiligheid en de gezondheid der werklieden’. Enkele verklaringen van arbeiders staan ook in de jubileumuitgave ‘Leidse wevers onder gaslicht’ van de firma Zaalberg. Deze grote werkgever voert al vroeg een sociaal personeelsbeleid.

‘Joh. Phil. S., 66 jaar oud en reeds 52 jaar bij de firma Zaalberg in dienst, verklaart, dat hij als spinner gemiddeld ƒ 7 à ƒ 8 per week verdiende. Hoewel hij thans als schrobbelaar werkzaam is, heeft hij zijn oude loon behouden. Er zijn nog meer oude arbeiders bij de firma in dienst, één zelfs van 69 jaar. De arbeiders, die oud worden, krijgen nimmer ontslag. Aan hen worden lichtere werkzaamheden opgedragen, waarvoor zij, zo niet het zelfde, dan toch een weinig geringer weekloon ontvangen dan zij vroeger verdienden. De arbeidstijd bedraagt 9 ½ uur per dag en loopt van ’s morgens 7 tot ’s avonds 7 uur met een rusttijd van 2 ½ uur, waarin des morgens en des middags telkens een half uur als schafttijd wordt doorgebracht.’

In 1887 werd de arbeidstijd in deze fabriek teruggebracht van 11 ½ uur naar 9 ½ per dag. Daartoe nam de vooruitstrevende ‘jongeheer’ Jean Corneille Zaalberg het initiatief. Bij de andere Leidse textielfabrieken blijft de werkdag 11 ½ uur. ‘Hogere lonen worden daar niet verdiend. De werklieden bij de firma Zaalberg zijn met deze verkorte arbeidsdag uitermate ingenomen. De aanvragen om plaatsing in de fabriek [open sollicitaties] zijn bij Zaalberg steeds zeer talrijk.’

Deze firmant heeft ook een visie op kinderarbeid. ‘Kinderen beneden de leeftijd van 13 jaar worden bij voorkeur niet in dienst genomen. Toch komt dit wel eens een enkele maal voor, bijvoorbeeld wanneer een wever is komen ‘soebatten’ om zijn zoon voor hem te mogen laten spoelen. Persoonlijk zou hij het zeer toejuichen, wanneer de wettelijk voorgeschreven minimum-leeftijd voor jeugdige fabrieksarbeiders van 12 tot 14 jaar zou worden verhoogd. Hij vreest evenwel, dat hierdoor de gezinnen der meest behoeftige arbeiders ernstig zouden worden gedupeerd.’ Omdat het gezin anders niet rond kan komen. Er is weinig verschil tussen Leiden toen en Bangladesh nu.

Arbeiders werken dan van maandag tot en met zaterdag en wonen vlakbij de fabriek. Tussen de middag eten ze thuis. De firmanten nemen uit principe geen getrouwde vrouwen aan, omdat die voor het gezin moeten zorgen. Dit is bedoeld om hen te beschermen, want thuis gaat alles met de hand. Ze hebben geen stromend water en elektriciteit. Buitenshuis werkende moeders zijn constant de uitputting nabij. Slechts één of twee dagen per week komt er een goedkoop stukje vlees op tafel. Zaalberg heeft een bedrijfsziekenfonds en de vrouw van de directeur brengt langdurig zieken een bemoedigend bezoekje.

Bij de arbeidstijdverkorting van 69 naar 57 uur per week in 1887 snijdt het mes aan twee kanten. ‘Persoonlijk heeft getuige kunnen vaststellen, dat een arbeidsduur van 9 ½ uur beter resultaten oplevert dan een van 11 ½ uur. De mensen hebben meer lust in hun werk en letten beter op. De productie is in kwantiteit vrijwel gelijk gebleven en in kwaliteit merkbaar verbeterd. Zo kon de verkorting van de arbeidstijd zonder schade voor de arbeiders en de industrie worden doorgevoerd.’

Van dat laatste kunnen sommige hedendaagse politici en economen nog wat opsteken.

Foto: uit het boek Leidse wevers onder gaslicht, Schering en inslag van Zaalberg dekens onder gaslicht (1850-1915), uitgave J.C. Zaalberg en Zoon, 1952.

5 gedachtes over “Leidse arbeidsvoorwaarden in 1890

  1. Toen werd het langzaam beter, nu wordt het langzaam slechter. En in Leiden is -behalve in het Bio Science Park- geen industrie meer over.

  2. Ingrid van Bouwdijk

    Heel interessant. Wat dan meteen in me opkomt is het wezenlijke verschil tussen toen en nu: “Waarom moeten zoveel mensen in landen als Bangladesh zo afzien terwijl elites in diezelfde landen, maar vooral grote groepen hier, van gekkigheid niet meer weten wat ze met hun geld en tijd moeten doen.” Onze achterburen hebben nieuwe fietsen gekocht, dat is niet wereldschokkend, maar wel dat mijn buurman dan verzucht: “Tsja, over drie jaar willen we dan toch weer nieuwe fietsen want dan zijn er vast weer nieuwe snufjes.” In 1890 waren er geen continenten vol met mensen die elk jaar hun garderobe wegdoen om met de mode mee te gaan of elke drie jaar een nieuwe fiets kopen met nieuwe snufjes.

  3. Ingrid van Bouwdijk

    En nog een zotter voorbeeld: een aantal weken terug ging het Volkskrant Magazine over geld. Een dame werd geïntervieuwd die kinderfeestjes organiseerde, maar dan voor de allerrijksten. De minimumprijs was een shootsession voor meisjes voor € 500; de dametjes worden opgetut en in mooie kleding gestoken waarna een fotograaf kiekjes gaat nemen. In de duurste categorie vielen de feestjes waarbij een voetbalstadion werd afgehuurd met signeer sessie van een bekende voetballer, voetbalclinics, springkussen, ed. Dat kostte enkele tienduizenden euro’s. De dame in kwestie ging wel haar markt uibreiden naar de VS en Dubai, want die Nederlanders bleven toch maar een nuchter volkje, maw de markt hier is wat klein. Maar hij bestaat blijkbaar wel. Dit contrast met kinderen in Bangladesh die lange dagen maken in onveilige fabrieken blijft te gek voor woorden.

    1. Hoi Ingrid,

      Precies, de tegenstellingen van schrijnende armoede en extreme weelde is walgelijk. Evenals het gegeven dat een steeds groter deel van de wereldbevolking obesitas heeft, zelfs in ontwikkelingslanden. In Dubai zag ik krotjes waar gastarbeiders in wonen, rijk en arm leven pal naast elkaar. Ik ken beide werelden en doe toch liever wat langer met mijn fiets.

Reacties zijn gesloten.