Vogelsoorten in mijn stadswijk

In mijn buurt leven allerlei vogels. Op vorige adressen in de binnenstad zag ik er weinig. Hier staan meer bomen en struiken. Kennelijk is er eten in overvloed. Vanachter mijn laptop zie ik heel wat wildleven zodra ik opkijk.

Twee eksters zijn heer en meesteres van de wijk. Die hadden hier al een nest voordat mijn woning er stond. Althans, het nest was er 21 jaar geleden al. Wellicht is dit nu het derde paar. Ik kan ze niet onderscheiden, want alle eksters lijken op elkaar. In hun hoge boom overzien zij de hele omgeving. Ik leef altijd met ze mee. Een keer zat hun jong op mijn vensterbank tegen het glas te happen, naar een plant achter het raam. Ze hebben vaak een rendez-vous met twee andere eksters. Dan hoppen ze koddig met z’n viertjes op een plat dak. Bij storm hebben zij het zwaar. Ze moeten recht tegen de wind in naar hun boom vliegen, want met harde zijwind raken ze uit koers. Dat lukt ze dan alleen vanaf mijn dak.

Tot hun afgrijzen deed zich vorige herfst een nieuw fenomeen voor. Een zwerm van honderden kauwtjes verzamelde tegen de avond op het hoogste gebouw. In zo’n menigte zitten de paartjes bij elkaar. Hebben ze elkaar allemaal weer gevonden, dan vliegt de hele zwerm op en maken ze een paar rondjes. Daarna duiken ze massaal op de hoogste bomen. Natuurlijk vlak bij het nest van het eksterpaar. Ik dacht even dat dit stel zou vertrekken. Maar nee hoor. Het is hun boom en zij blijven. De eksters kunnen kauwtjes niet luchten of zien. Nu blijft er nog een groepje van een kauwtje of tien. De eksters vliegen eropaf zodra zij zich bij het nest of privé-uitkijkposten van de eksters wagen.

In de lente ontwaak ik elke ochtend met het liefelijke riedeltje van de merel. Dit mannetje zit hier al drie jaar. Ik herken hem steevast aan zijn repertoire. Zijn voorganger floot op het dak recht boven mijn slaapkamer. Prachtig! Soortgenootjes huppen over het gras en doen zich tegoed aan wormen, gevleugelde insecten en slakken. De merels en eksters vormen een overkoepelend alarmsysteem voor alle vogels in de buurt.

Er vliegt hier nog veel meer door de lucht. Vaste bewoners zijn roodborstjes, koolmezen, tortels, duiven, Vlaamse gaaien, mussen, kraaien, meeuwen en eenden. Ik heb zelfs eens een nieuwsgierig vinkje in mijn woonkamer gehad. Soms vliegt hier een zwermpje groene, snerkende exoten. Een onbekend vogeltje maakt een metalig geluid. Ook streek er eens een verdwaald ganzenpaar neer, maar dat hield het gauw voor gezien. Verder zwemt er een hoentje rond. Die had vorig jaar nog een partner. Tien jaar geleden scharrelden er kippen, parelhoentjes en een pauw in een verscholen boomgaard. Daar staat nu een ecologisch gebouw.

Een slimme reiger komt vanuit een andere wijk regelmatig kikkers verschalken. Hij en de eksters zijn trouwens dol op eendenkuikens. Echt, eenden zijn toch zo achterlijk. Wie gaat er nu broeden in een wijk vol katten? Meestal overleeft geen enkel kuiken. Achter de huizen aan de overkant ligt een vaart. Daar zie ik ‘s winters aalscholvers en zwanen vliegen. Die komen dan vanaf het platteland naar de stad. In de zomer scheren zwaluwen rond en soms hoor ik een kievit al roepend overkomen.

Maar de meest bijzondere fladderaar is van een totaal andere orde. Ik zie hem nu weer bij het vallen van de avond. Een vleermuis!